computerwoorden.nl
Protocollen
Home | Sitemap | Zoektips | | Blog

Protocollen

A-tekenset

De toegestane tekenset binnen de ISO-9660 specificatie. Hierin zijn toegestaan: alle hoofdletters A tot en met Z, de cijfers 0 tot en met 9 en de symbolen ! " % & ' ( ) = * + , - . / : ; < > ? en de spatie.

AARP

  • AppleTalk Address Resolution Protocol
Protocol van Apple voor dynamische toewijzing op een netwerk.

ABR

  • Available Bit Rate
Een QoS-niveau (Quality of Service) bij ATM. Meest gebruikt voor standaard bestandsoverdracht tussen computers onderling. De beschikbare snelheid wordt gebruikt, maar deze kan lager worden als er netwerkverkeer met een hogere QoS is, zij het niet onder een bepaald minimum.

ACSE

  • Association Control Service
Element van het OSI-referentiemodel.

ADC

  • Adaptive Data Compression
Hayes protocol.

Address Resolution Protocol

  • ARP
Protocol van de Internet-laag dat verantwoordelijk is voor het bepalen van het hardwareadres (dat ook wel MAC-adres wordt genoemd) van een bepaald IP-adres. Dit proces wordt IP-adresomzetting genoemd. Voordat een IP-pakket kan worden doorgestuurd naar een andere host, moet het hardwareadres van de doelhost bekend zijn. ARP raadpleegt eerst de eigen cache voor een IP/hardwareadres-toewijzing. Als er één wordt gevonden, wordt het pakket met behulp van het hardwareadres rechtstreeks doorgestuurd naar de doelhost. Alle andere computers op het netwerk zien het pakket wel, maar verwerken het niet omdat het niet aan deze computers is geadresseerd. Als er geen toewijzing wordt gevonden in de ARP-cache, stuurt ARP een aanvraag-broadcast. Hardwareadressen hebben een hexadecimale notatie; het hardwareadres voor een broadcast is FF-FF-FF-FF. Het bericht in de broadcast luidt ongeveer als volgt: 'Wil degene die IP-adres W.X.Y.Z gebruikt zijn hardwareadres meteen naar hardwareadres A-B-C-D sturen.' Elke computer op het netwerk verwerkt het pakket en bepaalt of het IP-adres wordt gebruikt dat wordt gezocht door de host die de ARP-aanvraag heeft verstuurd. Als een van de computers op het lokale netwerk het adres gebruikt, stuurt deze een pakket terug waarin staat dat deze computer de gezochte host is en waarin het hardwareadres wordt vermeld. De bronhost gebruikt deze informatie om de rest van de gegevens rechtstreeks naar de doelhost te versturen. Als de bronhost een reactie krijgt, plaatst deze de toewijzing in de ARP-cache, opdat de toewijzing later nog een keer kan worden gebruikt. Vervolgens verstuurt de host het pakket. Als de bronhost geen reactie ontvangt, herhaalt ARP dit hele proces om het hardwareadres van de lokale standaard-gateway te verkrijgen en wordt het pakket via de gateway naar een ander netwerk verstuurd.
De gegevens van de ARP-cache is uit te lezen met het commando ARP-a.
De gegevens van de ARP-cache is uit te lezen met het commando ARP-a.

Adresklasse D

  • Address class D
De adressen in klasse D worden gebruikt voor multicasting. Multicasting dient om in één keer informatie te verzenden naar een aantal geregistreerde hosts. Die hosts worden in groepen ondergebracht doordat ze zich met een multicast-adres uit het adresbereik van klasse D registreren bij routers. De significante bits van klasse D zijn altijd ingesteld op 1110. De overige bits worden gebruikt om de host logisch te groeperen op het netwerk.
Adresklassen TCP/IP.
Adresklassen TCP/IP.
Bereik van de adresklassen.
Bereik van de adresklassen.

Adresklasse E

Klasse E is een experimentele adresklasse die in de toekomst echt gebruikt gaan worden. De adressen in deze klasse worden geïdentificeerd door hun significante bits, die zijn ingesteld op 1111.
Adresklassen TCP/IP.
Adresklassen TCP/IP.

Advanced Program to Program Communication

  • APPC
Een high-level netwerkprogramma-interface voor communicatie tussen twee applicatieprogramma's binnen een token-ring netwerk of tussen een netwerk en een mainframe. Een protocol dat ontwikkeld is door IBM als deel van haar Systems Network Architecture (SNA). Het voorziet programma's van een reeks regels en een algemene taal om met elkaar te converseren zonder dat ze te maken hebben met netwerkfuncties van een lager niveau, of met een master/slave-regeling die veronderstelt dat de machines die met elkaar communiceren geen intelligentie (verwerkingscapaciteit) van zichzelf bezitten, en daarom op een host-computer terugvallen om als intermediair te dienen.

AES

  • Advanced Encryption Standard
Een standaard om informatie te encrypten (versleutelen). Hierbij wordt gebruik gemaakt van 128-, 192- en 256-bits sleutels. Deze standaard is een onderdeel van de specificatie 802.11i van IEEE.

AFP

  • AppleTalk Filing protocol
AFP beschrijft hoe bestanden op het netwerk opgeslagen en benaderd worden. Het is verantwoordelijk voor de hiërarchische bestandsstructuur van volumes, mappen (directories) en bestanden. AFP voorziet ook in het delen van bestanden tussen Macintoshes en MS-DOS computers. Het biedt een interface tussen AppleTalk en andere netwerkbesturingssystemen. Dit betekent dat Macintoshes kunnen worden opgenomen in elk netwerk dat AFP herkent.
Logo van het Macintosh besturingssysteem.
Logo van het Macintosh besturingssysteem.

Agent

In het SNMP-model bevindt zich op elk netwerkapparaat dat wordt beheerd een softwareonderdeel dat de 'agent' wordt genoemd. De agent verzamelt informatie over het apparaat in een goed gedefinieerde structuur. De agent is verantwoordelijk voor het reageren op queries en het doorgeven van opdrachten voor het netwerkapparaat. Als een agent een verzoek ontvangt, controleert hij eerst of dat verzoek afkomstig is van zijn eigen gebruikersgroep. Als dat het geval is, raadpleegt de agent de MIB voor die aanvraag. Vervolgens reageert de agent door de aangevraagde waarde te sturen naar de SNMP-manager die is geconfigureerd voor die gebruikersgroep en agent. Als het verzoek een set-verzoek is dat niet afkomstig is van de eigen gebruikersgroep wijzigt de agent de waarde. De agent kan ook ongevraagd een trap-bericht sturen naar zijn SNMP-manager om te waarschuwen voor ongewenste communicatie met een niet-geautoriseerde SNMP-manager. Onjuiste wachtwoorden behoren tot de communicatievormen die een trap-bericht veroorzaken. Geactiveerde agents wachten op SNMP-verzoeken van de manager. Als er een verzoek is ontvangen, voert de agent de aangevraagde get-, get…next- en set-bewerkingen uit. De enige bewerking die spontaan wordt uitgevoerd is de trap, die de manager waarschuwt als een apparaat is gestart, gestopt of extreem wordt belast, bijvoorbeeld als de harde schijf vol is. De computer luistert standaard naar poort 161 en poort 162 voor traps. U kunt SNMP alleen op Windows 95- en Windows NT-computers gebruiken als het Register is aangepast voor het gebruik van SNMP.

ALOHA

Toegangsprotocol voor pakketgeschakelde ('packet switched') datanetwerken. Stamt uit begin jaren '70. De huidige toegangsprotocollen zijn verfijningen van dit protocol.

ANDing

Als een TCP/IP-host wordt geïnitialiseerd, vergelijkt deze het eigen IP-adres met het subnetmasker. Dit proces wordt ANDing genoemd. Het resultaat van dit proces wordt opgeslagen in het geheugen. Als de host moet bepalen of een pakket bestemd is voor een lokaal of extern netwerk, wordt eerst het doel-IP-adres van het pakket vergeleken met het eigen subnetmasker. Vervolgens vergelijkt hij het resultaat van die vergelijking met het resultaat dat eerder in het geheugen was opgeslagen. Als die twee waarden gelijk zijn, is het pakket bestemd voor een lokale host en blijft het binnen het netwerk. Als de twee waarden verschillen, is het bestemd voor een externe host en wordt het gerouteerd naar het juiste netwerk. Tijdens het ANDing-proces worden corresponderende enen en nullen gecombineerd. Twee enen leiden tot één, en een nul en een willekeurig ander getal leiden tot nul.
ANDing
ANDing

Anonymous FTP

  • Anonieme FTP
De mogelijkheid om zonder wachtwoord, als anonieme gebruiker, in te loggen op een computer die is aangesloten op een netwerk (bijvoorbeeld het internet). Vervolgens kunnen bestanden naar de eigen computer worden gekopieerd. Men heeft hiervoor wel een FTP-programma nodig.
Anonymous FTP instellen in WS FTP Pro.
Anonymous FTP instellen in WS FTP Pro.

ANSI X

Amerikaanse standaard voor formaat voor EDI.

ANSI X9

Een bundeling protocollen die door banken en andere financiële instellingen is ontwikkeld om transacties te beveiligen.

AO/DI

  • Always On /Dynamic ISDN
Het idee achter dit protocol is dat een verbinding die vaak herhaald wordt (zoals die met een internetprovider) niet volledig wordt afgebouwd, maar via het D-kanaal in stand wordt gehouden. Dit D-kanaal heeft een veel lagere bandbreedte dan de B-kanalen (ongeveer 9,6 kbps), waardoor een dergelijke verbinding ook veel minder kost. Het is bedoeld als een goedkoop alternatief voor permanente ISDN-verbindingen. De lage snelheid van het D-kanaal kan bovendien prima gebruikt worden voor datatransmissies die slechts een minimum aan bandbreedte vereisen, zoals het automatisch binnenhalen van e-mail of nieuwsberichten. De B-kanalen worden automatisch weer ingeschakeld als de gevraagde bandbreedte dat vereist en er effectief grotere hoeveelheden verstuurd moeten worden, bijvoorbeeld als u de webbrowser start of voor het downloaden van software. Zodra de gevraagde bandbreedte daalt, worden één of beide B-kanalen weer automatisch afgesloten. AO/DI kunt u in feite beschouwen als een uitbreiding op het principe van kanaalbundeling en call bumping. AO/DI werkt alleen als het wordt ondersteund door uw ISDN-adapter, uw provider en door de telefoonmaatschappij waarop u bent aangesloten.

Apex-Mac

  • Multimedia Access Concentrator van General Datacom
Hiermee krijgen ook kleinere gebruikers toegang tot de ATM-technologie.

APOP

  • Authenticated POP
Protocol dat als een extra beveiliging de normaal gesproken ongecodeerde wachtwoorden versleutelt die worden gebruikt om op een POP-aansluiting in te loggen. APOP wordt gedefinieerd in de RFC 1734.

APPC

  • Advanced Program to Program Communication
Een high-level netwerkprogramma-interface voor communicatie tussen twee applicatieprogramma's binnen een Token Ring netwerk of tussen een netwerk en een mainframe; een protocol dat ontwikkeld is door IBM als deel van haar Systems Network Architecture (SNA). Het voorziet programma's van een reeks regels en een algemene taal om met elkaar te converseren, zonder dat ze te maken hebben met netwerkfuncties van een lager niveau of een master/slave-regeling die veronderstelt dat de machines die met elkaar communiceren geen intelligentie (verwerkingscapaciteit) van zichzelf bezitten en daarom op een host-computer terugvallen om als intermediair te dienen.

AppleTalk Filing Protocol

  • AFP
AFP beschrijft hoe bestanden op het netwerk opgeslagen en benaderd worden. Het is verantwoordelijk voor de hiërarchische bestandsstructuur van volumes, mappen (directories) en bestanden. AFP voorziet ook in het delen van bestanden tussen Macintoshes en MS-DOS computers. Het biedt een interface tussen AppleTalk en andere netwerkbesturingssystemen. Dit betekent dat Macintoshes in elk netwerk kunnen worden opgenomen dat AFP herkent.

Applicatie-proxy

Manier waarop een proxy data gescheiden houdt. Deze maakt gebruik van de eigenschappen van het applicatieprotocol. Bijvoorbeeld: een HTTP-proxy krijgt een HTTP-aanvraag van een werkstation en speelt deze door naar HTTP-servers op internet. Door gebruik te maken van de eigenschappen van het HTTP-protocol kan een aanvraag efficiënt worden uitgevoerd. Een ander voordeel is dat de server data gemakkelijk lokaal kan opslaan (caching), waardoor bij eenzelfde aanvraag het antwoord van de vorige aanvraag lokaal kan worden opgehaald (uit de cache). Een applicatie-proxy heeft wel het nadeel dat hij slechts een bepaald aantal applicaties ondersteunt.

Applicatielaag

Eén van de zeven lagen van het ISO OSI-referentiemodel. Dit is de laag waar het allemaal om begonnen is; hier worden de gegevens van de computer, of welke installatie dan ook, gelezen en doorgegeven naar de Presentatielaag. Binnenkomende gegevens worden gelezen van de Presentatielaag. Als dus in twee computers netjes alle zeven lagen gedefinieerd zijn, kunnen deze twee apparaten met elkaar communiceren. Dit is volledig onafhankelijk van merk, type of software. De Applicatielaag dient als het venster dat applicatieprocessen gebruiken om toegang te krijgen tot netwerkservices. Deze laag vertegenwoordigt de services die direct de gebruikersapplicaties ondersteunen, zoals software voor bestandsoverdracht, toegang tot databases en e-mail. Zij zorgt voor algemene toegang tot het netwerk, voor besturing van de gegevensstroom en voor foutherstel.
OSI-referentiemodel.
OSI-referentiemodel.

Applicatieprotocollen

Deze protocollen functioneren in het hoogste deel van het OSI-model. Ze zorgen voor de wisselwerking tussen programma's en voor gegevensuitwisseling.
Applicatieprotocollen
Applicatieprotocollen

ARAP

  • AppleTalk Remote Access Protocol
Protocol van Apple voor het inbellen op een AppleTalk netwerk.

ARP

  • Address Resolution Protocol
Protocol van de Internet-laag, dat verantwoordelijk is voor het bepalen van het hardware-adres (dat ook wel MAC-adres wordt genoemd) van een bepaald IP-adres. Dit proces wordt IP-adresomzetting genoemd. Voordat een IP-pakket kan worden doorgestuurd naar een andere host, moet het hardware-adres van de doelhost bekend zijn. ARP raadpleegt eerst de eigen cache voor een IP/hardware-adres-toewijzing. Als er één wordt gevonden, wordt het pakket met behulp van het hardware-adres rechtstreeks doorgestuurd naar de doelhost. Alle andere computers op het netwerk zien het pakket wel, maar verwerken het niet, omdat het niet aan deze computers is geadresseerd. Als er geen toewijzing wordt gevonden in de ARP-cache, stuurt ARP een aanvraag-broadcast. Hardware-adressen hebben een hexadecimale notatie; het hardware-adres voor een broadcast is FF-FF-FF-FF. Het bericht in de broadcast luidt ongeveer als volgt: 'Wil degene die IP-adres W.X.Y.Z gebruikt, zijn hardware-adres meteen naar hardware-adres A-B-C-D sturen?' Elke computer op het netwerk verwerkt het pakket en bepaalt of het IP-adres wordt gebruikt dat wordt gezocht door de host die de ARP-aanvraag heeft verstuurd. Als een van de computers op het lokale netwerk het adres gebruikt, verstuurt deze een pakket terug waarin staat dat deze computer de gezochte host is en waarin het hardware-adres wordt vermeld. De bronhost gebruikt deze informatie om de rest van de gegevens rechtstreeks naar de doelhost te versturen. Als de bronhost een reactie krijgt, plaatst deze de toewijzing in de ARP-cache, opdat de toewijzing later nogmaals kan worden gebruikt. Vervolgens verstuurt de host het pakket. Als de bronhost geen reactie ontvangt, herhaalt ARP dit hele proces om het hardware-adres van de lokale standaardgateway te verkrijgen en wordt het pakket via de gateway naar een ander netwerk verstuurd.

ARP
Syntax:
ARP -s inet_addr eth_addr [if_addr]
ARP -d inet_addr [if_addr]
ARP -a [inet_addr] [-N if_addr]
Parameter Beschrijving
-a Geeft huidige ARP-vermeldingen weer door de huidige protocol-gegevens aan te vragen. Als het inet_addr niet is opgegeven, worden alleen de IP- en fysieke adressen van de opgegeven computer weergegeven. Als meer dan één netwerkinterface ARP gebruikt, worden er vermeldingen weergegeven voor elke ARP-tabel
-g Hetzelfde als -a.
inet_addr Specificeert een Internet-adres.
-N if_addr Geeft de ARP-vermeldingen weer voor de netwerkinterface opgegeven door if_addr.
-d Verwijdert de host opgegeven door inet_addr. Als u sterretjes (*) als jokertekens gebruikt, kunt u alle hosts verwijderen.
-s Voegt de host toe en associeert het Internet-adres inet_addrn met het fysieke adres eth_addr. Het fysieke adres wordt weergegeven als 6 hexadecimale bytes gescheiden door een streepje.
eth_addr Specificeert een fysiek adres.
if_addr Indien aanwezig, specificeert dit het Internet-adres van de interface waarvan de adresvertaaltabel moet worden gewijzigd. Indien niet aanwezig, wordt de eerste toepasbare interface gebruikt.

ARP-cache

De ARP-cache speelt een belangrijke rol bij adresconversie. Een ARP-cache bevat de hardware- en bijbehorende IP-adressen van hosts. Elke keer als uw computer probeert te communiceren met een andere host, controleert de computer in de ARP-cache of het fysieke adres van de host beschikbaar is. Als het adres niet beschikbaar is, wordt via ARP geprobeerd het te achterhalen. Zodra het bekend is wordt het toegevoegd aan de cache. U kunt zich voorstellen dat het niet mogelijk is om alle ingangen voor altijd in de ARP-cache te laten staan. De ingangen blijven standaard tien minuten behouden. Als deze tijd verstreken is, wordt de ingang uit de cache verwijderd. In sommige TCP/IP-implementaties wordt de teller weer op nul gezet als de computers binnen de time-outperiode van tien minuten met elkaar communiceren. In Windows NT wordt er op een andere manier met de inhoud van de ARP-cache omgegaan. Windows NT verwijdert ingangen uit de tabel als deze vol is, ook als de time-outperiode nog niet verstreken is. NT verwijdert de oudste ingangen en let er hierbij niet op hoe intensief de ingang gebruikt wordt.
Schakelopties ARP.EXE
Schakelopties ARP.EXE
Resultaat ARP.EXE
Resultaat ARP.EXE

ASCII

  • American Standard Code for Information Interchance
Algemeen geaccepteerde standaard waarin de betekenis van tekens (bytes) is vastgelegd. Zo staat ASCII-code 65 voor de hoofdletter A. ASCII is een protocol voor het overbrengen van bestanden van de ene computer naar de andere. Het is eigenlijk alleen geschikt voor tekstbestanden. ASCII omvat 128 tekens, wat onvoldoende is om de tekens van elke taal te kunnen onderbrengen. Veel tekens, zoals letters met accenten, valutatekens, de Duitse ,ß vallen erbuiten. Later is dan ook extended ASCII ontstaan, dat 256 tekens omvat (waaronder tekens als é, ï en ä). Extended ASCII is echter geen standaard, waardoor de tekens bij gebruik verschillend kunnen zijn.
Diverse ASCII-codes.
Diverse ASCII-codes.

Asynchronous Transfer Mode

  • ATM
Een gestandaardiseerde multiplexing en geschakelde methode om tegelijkertijd data, stem en video in packets over breedbandverbindingen te verzenden met behulp van cellen met een vaste lengte. ATM is een OSI laag 1 en 2 netwerkprotocol dat asynchroon cellen door een netwerk schakelt via virtuele circuits. De cellen hebben een vaste lengte van 48 byte user data en 5 byte header info. De voorspelbaarheid die het gevolg is van de vaste cel-lengte maakt ATM geschikt voor het transport van verschillende verkeerstypen, zoals telefoon, video en data. De afwezigheid van foutcontrole leidt tot grote transportsnelheid. ATM voorziet in datatransmissie met hoge snelheid om cellen met een vaste omvang over breedband-LAN's of -WAN's te verzenden. Het is geschikt voor spraak, gegevens, fax, real-time video, geluid van cd-kwaliteit, beelden en multimegabit-datatransmissie. ATM gebruikt switches als multiplexers zodat meerdere computers simultaan gegevens op een netwerk kunnen zetten. De meeste ATM-borden die in de handel zijn, verzenden gegevens met een snelheid van ongeveer 155 Mbps, maar theoretisch is 1,2 Gbps mogelijk.

ATLAP

  • AppleTalk Link Access Protocol
Netwerkprotocol dat de toegang op een netwerk regelt.

ATN

  • Attention
Signaal bij IEEE488.

AWG

  • American Wire Gauge
Norm voor koperdraad, een standaard om de draaddiameter vast te stellen. De diameter is omgekeerd evenredig met het gauge-nummer: hoe lager de AWG, hoe groter de draaddiameter.