computerwoorden.nl
Programmeren in C++
Home | Sitemap | Zoektips | | Blog

C++

Abstracte klasse

Een klasse met tenminste één zuivere virtuele functie. Je kunt geen object declareren van een afgeleide klasse, maar er wel andere klassen uit afleiden.

Access specifiers

Woorden als public, protected en private die aangeven hoe de toegang tot diverse klasseleden is geregeld.

Actuele argumenten

De waarden die binnen een programma worden meegegeven aan een functie, zodat de functie deze argumenten kan gebruiken. Bijvoorbeeld prototype: “functienaam(int arg1, int arg2);” en functieaanroep: “functienaam(1,2);”, dan zijn 1 en 2 de actuele argumenten en arg1 en arg2 de formele argumenten. arg1 krijgt de waarde 1 en arg2 de waarde 2.
De typen van argumenten binnen een functie.
De typen van argumenten binnen een functie.

Adres

Elke geheugenplaats ter grootte van een byte heeft een nummer dat het adres heet. Op zo'n geheugenplaats kan zich bijvoorbeeld een object of een functie bevinden. Het adres van een object of van een functie krijg je via de adres-operator. Adressen worden meestal hexadecimaal genoteerd. Een adres kun je opbergen in een pointer.
Voorbeeld van een programma om de adressen van variabelen te laten zien.
Voorbeeld van een programma om de adressen van variabelen te laten zien.
De adressen zijn in hexidecimale getallen uitgedrukt.
De adressen zijn in hexidecimale getallen uitgedrukt.

Adres-operator

  • &
  • Ampersand
De operator & (ampersand). Deze operator levert het adres van een object of van een functie door de ampersand voor de naam van het object of de functie te plaatsen.
Voorbeeld ardres-operator.
Voorbeeld ardres-operator.
Uitkomst voorbeeld adres-operator, de adressen zijn in hexidecimale getallen uitgedrukt.
Uitkomst voorbeeld adres-operator, de adressen zijn in hexidecimale getallen uitgedrukt.

Afgeleide klasse

  • Derived class
Een klasse die de leden, dat wil zeggen variabelen en functies, erft van een basis-klasse.

Ambiguïteit

In C++ treedt ambiguïteit op in een situatie waarin de compiler niet kan beslissen tussen twee (of meer) mogelijkheden. Ambiguïteit kan zich voor doen bij overloading van functies.

Argumenten

  • Parameters
Waarden die je aan een functie kunt toekennen en waarmee de uitkomst van de functie wordt bepaald. Sommige programmeurs gebruiken het woord parameter alleen voor een formeel argument, anderen ook voor een actueel argument.
Aanroepen van een functie met argumenten.
Aanroepen van een functie met argumenten.

Array

  • Rij
Een variabele waarin een aantal elementen van hetzelfde type opgeborgen kan worden. De elementen van een array worden genummerd. Deze nummering beweegt zich tussen twee grenzen, maar de nummering begint altijd bij 0. Het nummer van een element van een array heet index.

Array bounds checking

Het controleren of de index van een element binnen geldige grenzen valt. In C++ is standaard niet voorzien in array bounds checking. Als een index buiten de geldige grenzen komt kan dit daarom tot een crash leiden.

ASCII-code

  • American Standard Code for Information Interchange-code
Een van de standaard coderingen voor letters en andere tekens. Elk teken wordt binair gecodeerd. Deze binaire code is tevens op te vatten als een getal. De oorspronkelijke ASCII-codering bestond uit een tabel van 128 tekens. In de uitgebreide ASCII-tabel zijn daar nog eens 128 tekens aan toegevoegd. De eerste 128 codes in de ASCII-tabel komen overeen met de eerste 128 codes in de ANSI-tabel.

Assembleertaal

Programmeertaal van de tweede generatie. Een voor mensen begrijpelijk gemaakte taal waarin vrijwel elke instructie correspondeert met één enkele instructie voor de processor.

Assembler

Een vertaalprogramma dat een programma geschreven in assembleertaal naar machinecode vertaalt.

Assignement-operator

  • Toekenningsoperator
  • =
Met behulp van de assignement operator (=) geef je een waarde aan een variabele.
Waarden toekennen aan een variabele.
Waarden toekennen aan een variabele.

Assignment-statement

  • Toekenningsopdrachten
Opdracht waarbij een object een (nieuwe) waarde krijgt. Deze opdracht wordt uitgevoerd door de assignment-operator =.
Waarden toekennen aan een variabele.
Waarden toekennen aan een variabele.

Automatic variabelen

  • Lokale variabelen
Een lokale variabele wordt tijdens de uitvoering van het programma aangemaakt op het moment dat de loop van het programma langs de declaratie van die variabele komt. De scope van de variabele, het gebied van het programma waarin de variabele geldig is, loopt tot aan het einde van het blok (gedeelte van een programma tussen de accolades) waarin de variabele is gedeclareerd. Aan het einde van de blok wordt de variabele vernietigd.
Lokale variabelen.
Lokale variabelen.

Automatische type-conversie

  • Automatische conversie
Wanneer het programma zelf bepaalt welke getaltype als uitvoer moet worden gebruikt, bijvoorbeeld wanneer een int variabele wordt vermenigvuldigd met een float variabele, de int variabele automatisch een float variabele wordt. Onder getaltypen bestaat een ordening van laag naar hoog, wanneer een compiler een expressie tegen komt met daarin twee verschillende typen, dan wordt het laagste type opgewaardeerd naar het hoogste type in de expressie.
Ordening getaltypen.
Ordening getaltypen.